lne Gevers curator  \  writer  \  activist

 back
Artists who choose Life/ Kunstenaars die voor het leven kiezen
Adrian Piper, Funk lessons, 1983; Michel Francois, Zonder Titel, 1993

Is kunst in het leven te integreren? Kan kunst andere publieken aanspreken dan alleen het specifiek hiervoor opgeleide kunstpubliek? Kan de kunst op een manier communiceren die verder gaat dan het slechts herhalen van haar eigen voorwaarden? Ofwel, kan zij zich losmaken uit een traditie waarin kwaliteit louter wordt bepaald door criteria als esthetische complexiteit en subjectieve diversiteit? En kan zij, in plaats daarvan, modellen van communicatie ontwikkelen die in staat zijn ook andere groepen mensen te bereiken dan slechts die bevoorrechte, kleine groep die haar elitaire taal verstaat? En, wat misschien nog belangrijker is, sluit de ene optie de andere onvoorwaardelijk uit of is het mogelijk een stap verder te gaan?

De geschiedenis heeft in ieder geval geleerd dat het eenvoudigweg toepassen van de esthetische principes van de kunst op het dagelijkse leven weinig vruchten heeft afgeworpen. Hoewel de schilderijen van Piet Mondriaan inmiddels door velen kunnen worden gewaardeerd, staat men toch raar te kijken wanneer men verneemt welke motieven eraan ten grondslag liggen. Mondriaan wilde niet zomaar een mooi schilderij maken. Veeleer was hij op zoek naar een vorm van harmonie die, eenmaal onderdeel van het leven zelf, alle kunst voorgoed overbodig zou maken. Een wel heel idealistische opvatting, ontsproten uit een blind volgen van de esthetische principes die slechts binnen een klein, afgeschermd gebied van toepassing zijn, zouden we nu zeggen. Dit geïsoleerde terrein, waarbinnen de kunst zijn complexe vormentaal tot hoge kwaliteit heeft weten op te voeren, bestaat nog steeds.

Maar wat heeft deze kunstwereld, ook wel de institutie Kunst genoemd, nu nog met de werkelijkheid te maken? Argumenten dat het altijd alleen maar van de kunst wordt geëist rekenschap af te leggen naar de buitenwereld toe en zelfs buiten de grenzen van haar eigen territorium te treden, en nooit van andere, evenzo geïsoleerde eilanden als die van de wetenschap of de technologie, zijn maar ten dele van toepassing. De vraag komt namelijk niet alleen van buitenaf. Binnen de institutie Kunst zijn kunstenaars werkzaam. Voor vele van deze kunstenaars is de legitimatie voor het maken van kunst eerder gelegen in de bijdrage die zij op die manier zouden kunnen leveren aan de kwaliteit van het leven, dan dat zij een ode willen brengen aan de geïsoleerde kunst met grote K. Ofwel, de praktijk van het maken van kunst is iets heel anders dan de manier waarop de producten via de institutionalisering van deze praktijk het keurmerk Kunst hebben verkregen. Avant-garde kunstenaars uit het begin van deze eeuw hebben keer op keer aangetoond dat er verschil was tussen de vrijheid die zij nastreefden om alternatieven te kunnen ontwikkelen voor de maatschappij waarin zij leefden, en de autonomie die aan hen (en aan hun werk) werd toegeschreven door musea, galeries, collectioneurs en kunstcritici. Een dergelijke, institutionele vorm van autonomie, gebaseerd op het handhaven van traditionele, esthetische principes die slechts binnen het systeem Kunst van betekenis zijn, is in de praktijk van een geëngageerd kunstenaar niet levensvatbaar. Het is eerder de dood in de pot. Bovendien hebben de huidige ontwikkelingen rondom en binnen in het kunstbedrijf eerder geleid tot afbraak van het idee van autonomie van kunstenaar en kunstwerk, dan dat zij deze notie hebben bevestigd. De autonomie van de Kunst blijkt in werkelijkheid gebaseerd op een mythe. Welk instituut is er heden ten dage meer gecorrumpeerd geraakt door zijn nauwe relaties met onze laatkapitalistische consumptiemaatschappij dan juist de institutie Kunst? Grote kunstmanifestaties worden georganiseerd om, via de media, de commercie en de horeca, steden en landen van grote financiële injecties te voorzien of om hen in politiek en cultureel opzicht op te waarderen in concurrentie met andere plaatsen in de wereld. Kunst wordt bovendien ingezet ter bevestiging van bestaande machtsverhoudingen en ter verduidelijking van het onderscheid tussen hogere en lagere cultuur, of tussen de producenten en de mensen die 'slechts' consumeren. Kunst wordt gebruikt om het verschil tussen bepaalde klassen aan te tonen, ten gunste van de gepriviligeerden. In onze huidige informatiemaatschappij worden kunstwerken bovendien gebruikt als 'fetisjen' van de wereld van de unieke, blijvende en te ervaren objecten tegenover de schijnproducten die ons door de media en andere, artificiëe werkelijkheden worden aangeboden. Kunst is allesbehalve waardevrij, zowel op het niveau van de productie, als op het niveau van distributie (presentatie) en consumptie.

Aangeland bij de grenzen van haar autonomie is het stellen van nieuwe doelen onvermijdelijk, wil de Kunst niet voorgoed in een staat van crisis verblijven. De integratie van kunst en leven, zij het ontdaan van de illusies uit het verleden, zou opnieuw een optie kunnen zijn. Het is echter niet langer alleen de taak van de geëngageerde kunstenaar om nieuwe wegen te ontsluiten, waardoor kunst weer op cultureel, politiek en maatschappelijk niveau zou kunnen functioneren. Deze opdracht moet ons inziens gedeeld worden door anderen: critici, museummensen en tentoonstellingsmakers. De tentoonstelling Ik + de Ander. Dignity for all: reflections on humanity, georganiseerd in samenwerking met het Rode Kruis, komt voort uit een dergelijke stellingname. Wij hebben niet alleen gekozen voor kunstenaars die voor het leven kiezen. Door een tentoonstelling te maken waarin het Rode Kruis, mediamateriaal en de kunst gelijkelijk vertegenwoordigd zijn, hebben wij onze bijdrage willen leveren aan mogelijke andere manieren waarop kunst kan betekenen.


Een menswaardig bestaan
De Kunst is niet de enige sector die in de huidige, postmoderne tijd in een crisis verkeert. Hulpverlenings-instanties, waaronder het Rode Kruis, hebben het eveneens moeilijk waar het gaat om het trouw blijven aan de waarden en uitgangspunten die eens de basis vormden van hun activiteiten. Zoals het begrip autonomie binnen de institutie Kunst op de tocht staat, zo worstelt het Rode Kruis met zijn pogingen zijn positie neutraal te houden. Heen en weer geslingerd tussen markering - en mediagerichte strategieën enerzijds en de mogelijkheid nog langer universaliteit te claimen van begrippen als menselijke waardigheid en menselijkheid, dient ook het Rode Kruis pas op de plaats te maken. Door middel van de oproep 'Dignity for all', een noodkreet temidden van de alarmerende ontwikkelingen op het gebied van racisme, fascisme, nationalisme en vreemdelingenhaat, probeert het Rode Kruis een stap in die richting te zetten. Een stap die, naast het bieden van hulp ten tijde van oorlog, rampen of in andere situaties mensen bedreigen in hun waarde als mens, tevens een bewustzijn op gang willen brengen omtrent de wereld waarin wij leven en onze eigen rol hierin. Ook de rol van het Rode Kruis.

We leven in een tijdperk waarin de samenleving op technologisch en informa­tieverwerkend gebied een enorme groei doormaakt. Tegelijkertijd komt de ene zekerheid na de andere op losse schroeven te staan. De eens door iedereen geaccepteerde fundamenten van ons bestaan: Vooruitgang, Ontwikkeling, Objectiviteit, Universaliteit, Rationaliteit, en Waarheid lijken te vervluchtigen. Politieke en sociale modellen vallen weg, religies en ideologieën brokkelen af, normen en waarden verliezen zin en betekenis. Dat wat eens vanzelfsprekend was heeft zijn geloofwaardigheid verloren. Belangrijke ijkpunten, voortkomend uit de Westerse cultuur, zoals het humanisme van het Verlichtingsdenken, worden door andere culturen danig gerelati­veerd. We leven niet langer in één cultuur. We maken deel uit van een pluriforme, multiculturele samenleving, met even zovele gezichtspunten van waaruit die samenleving kan worden gedefinieerd. Maar wat te doen nu blijkt dat tot voor kort universele waarden machtsverschillen in stand lijken te houden en geen enkele ethische norm onpartijdig is? Dit markeert het dilemma van onze tijd. We beseffen dat neutraliteit niet langer bestaat, dat geen enkele waarheid belangeloos is, maar dat we moeilijk zonder kunnen. Met dit dilemma wordt het Rode Kruis dagelijks gecon­fron­teerd. Het wordt steeds problematischer mensenrechten en menselijke waardigheid te verdedigen in samenlevingen waarin over de betekenis van deze begrippen maar weinig overeenstemming bestaat.

De alom tegenwoordige aanwezigheid van de media verscherpt deze problematiek. Con­sumptie, snelheid en productiviteit bepalen inhoud en betekenis van welke boodschap dan ook. Via het beeldscherm zijn we rechtstreeks getuige van de meest indringende gebeurtenissen: van persoonlijke drama's tot wereldnieuws. Wie keek niet naar de rechtstreeks uitgezonden beelden van de Golfoorlog op CNN? Of naar de beelden van gevangenkampen in het voormalige Joegosla­vië, in de wetenschap dat daar tegelijkertijd op grote schaal martelingen en verkrachtingen plaatsvonden? Echter, de snelheid waarmee de indringende, doch vaak fraai gecomponeerde beelden elkaar opvolgen, smoort ons gevoel van medeplichtig­heid en verantwoordelijk­heid. De door de media opgeroepen werkelijkheid, waarbinnen geweld, pornografie en onderdrukking pijnloos te genieten zijn, is zo overweldigend, dat we de drama's die zich letterlijk naast onze deur afspelen gewoonweg niet meer zien. We worden zodanig overvoerd door telkens weer nieuwe informatie, afgewisseld door mooie reclameboodschappen, dat er bovendien eerder sprake is van apathie dan van bewustwording. De onmogelijkheid nog langer betekenis te hechten aan het aanbod van beelden dat naar niets meer lijkt te verwijzen ondermijnt elk vermogen tot onderkenning. Voor zover er geen sprake is van afstomping moeten we ons in ieder geval hoeden voor een permanente staat van geheugenverlies. Slechts dat ene beeld op dat ene moment heeft nog bestaansrecht. Geschiedenis en toekomst lijken te vervagen. De gevolgen hiervan voor ons besef van identiteit en verantwoordelijkheid zijn niet gering. Door een afbrokkelend bewustzijn wat betreft ons eigen aandeel in een werkelijkheid die we nog slechts vanaf een afstand bezien, dreigen we het vertrouwen in onze persoonlijke, actieve inbreng te verliezen.

Minstens zo ingrijpend zijn de huidige ontwikkelingen binnen de biotechnolo­gie en de informatica. Paradoxaal genoeg lijken hiermee de instrumenten te worden geleverd waarmee wij onszelf en ons leven naar believen kunnen omvormen en bepalen. Kunnen we met behulp van plastische chirurgie ons lichaam naar believen verfraaien, implanteerbare computerchips zullen het in de toekomst mogelijk maken onze persoonlijkheid te herconstrueren. DNA-technologie maakt langzamerhand iedere vorm van klonen mogelijk, waardoor genetische manipulatie bij mensen niet langer een onbesproken vraagstuk is. Ieders wens kinderen te krijgen kan worden vervuld en dat niet alleen. Het kweken van een supermenselijk ras, waarbij alle afwijkingen kunnen worden geëlimineerd, lijkt binnen niet al te lange tijd tot de mogelijkheden te behoren. En wanneer de ontwikkelingen op het gebied van de kunstmatige intelligen­tie gelijke tred houden, zouden de beslissin­gen hierover uiteindelijk wel eens niet meer door mensen hoeven te worden genomen.

Maar hoe kunnen we een ethiek opbouwen die gelijke tred houdt met deze ontwikkelingen? Een ethiek die bovendien waarborgt dat niet alleen een kleine elitegroep van de wereldbevolking ermee is gediend? Ons bewustzijn lijkt ver achter gebleven in vergelijking met de nieuwste ontdekkingen waarmee de technologie ons dagelijks verrijkt.Het is allang de logica van de informatieorde en de technologie die ons leven bepaalt in plaats van andersom. Het wordt tijd dat we nieuwe, zingevende ideologie:en gaan opbouwen, en normen en waarden die aangepast zijn aan deze tijd. Ook al kunnen zij niet langer pretenderen universeel te zijn. Tenzij we ons tevreden kunnen stellen met louter pragmatische strategieën en met een humanisme dat slechts nog dienst doet als marketing instrument. Voor het Rode Kruis is in ieder geval een grens bereikt.


Hoe anders mag de Ander zijn?
De tentoonstelling Ik + de Ander is het resultaat van een unieke vorm van samenwerking. Een verbintenis tussen twee instituties die wat betreft geschiedenis, doelstelling en werkwijze weinig met elkaar gemeen hebben. Eigenlijk zijn het twee gescheiden werelden. Het Rode Kruis, een hulporgani­sa­tie die zich in praktische zin richt op het helpen en steunen van de zwakkeren en uitgestotenen in onze samenleving, en de kunst, die vanuit een zekere autonomie een kritische kijk heeft ontwikkeld pp die samenleving. Een wederzijdse confrontatie kan voor beiden een uitdaging zijn. Waar het Rode Kruis met handen en voeten gebonden is aan zijn taak om directe en praktische hulp te bieden ter bestrijding van de symptomen van een wereld vol ongelijkheid en onderdrukking, daar kan de kunst juist door een meer bespiegelende inbreng perspectieven aanreiken om tot nieuwe vormen van inzicht te komen. Richt het Rode Kruis zich op het redden van mensenle­vens en het creëren van omstandigheden voor een zo waardig mogelijk bestaan, de kunst richt zich op het verhelderen van onze eigen, vaak ambiva­lente rol in het scheppen van een wereld die bescha­ving en welvaart betekent voor de een, maar onder­drukking en afhanke­lijk­heid voor de ander. Vragen als "Hoe anders mag de ander zijn?" en "Wat betekent het helpen van anderen?" komen hierdoor in een ander daglicht te staan. Met andere woorden: daar waar het Rode Kruis uitgaat van bepaalde, algemeen aanvaarde en zelfs universeel toepasbare waarden en inzichten, daar stelt de beeldende kunst vragen over zin en betekenis hiervan. Dit niet met de bedoeling verwarring te scheppen of onrust te zaaien. Integendeel, de kunst zou hier juist opnieuw een vuist kunnen maken. Zij kan aanzetten tot het genereren van nieuwe inhouden aan zuiver retorisch geworden begrippen. Juist hier. Was er in een museum of galerie vaak sprake van een min of meer beschermde positie, deze wordt nu bewust doorbroken. Via het Rode Kruis wordt de concrete en complexe buitenwereld als het ware binnengehaald en worden kunst en leven direct, en op gelijkwaardig niveau, met elkaar geconfronteerd. Kunst kan zich niet langer verschuilen achter haar veilige vesting: zij wordt verplicht andere vormen van communicatie te ontwikkelen dan die zij tot nu toe heeft ontwikkeld.

Uitgangspunt van veel kunstwerken op de tentoonstelling Ik + de Ander. Dignity for all: reflections on humanity is de veronderstelling dat "de Mens" niet bestaat. Niet "de Mens" zoals die is getoonzet ten tijde van de Verlichting en evenmin de homogene "Mens", zoals die door de media wordt voorgeschoteld. Dit lijkt misschien op het intrappen van een open deur. Maar het is, gezien onze vasthou­dendheid als het gaat om ons zelfbeeld of het beeld van "de Ander", wellicht geen overbodige herhaling. Het beeld van "de Mens", dat velen van ons bewust of onbewust hanteren, is dat van een ideale mens. Een mens die rationeel is, een mens die weet wat hij doet en die controle heeft over zichzelf en de wereld om hem heen. Hoewel het rationalisme in ethische zin de filosofische basis heeft gevormd van de formulering van universele mensenrechten en van aanspraken op gelijke rechten van onderdrukte groepen en volkeren, is datzelfde rationalisme verantwoordelijk voor impliciete inperking van het begrip "mens". "De Mens" werd onderschei­den van "niet-mensen" op basis van een beperkt aantal universeel gedachte eigenschappen: de rede, het geweten en het vermogen tot zelfin­zicht. Alles wat daarbuiten lag, bijvoorbeeld het gevoel, de hartstocht, de dwaling, of de waanzin, behoorde niet tot het menselijke. Inmiddels weten we dat dit model grote groepen mensen uitsloot. De ideale mens van de Verlichting bleek toch vooral het ideale zelfbeeld van de westerse kapitalistische en patriarchale cultuur te representeren. Zeker in onze huidige tijd beseffen we tot welke catastrofale gevolgen uitwassen van een dergelijke vorm van superioriteit - denken kunnen leiden.

Als er iets is wat onze postindustriële en postmoderne tijd onderscheidt van voorgaande periodes, dan is het wel een veranderd mensbeeld. Weten we sinds Freud dat de identiteit van de mens op zijn minst gespleten van aard is, gaandeweg de 20e eeuw werd duidelijk dat het begrip fragmentatie nog beter de lading dekt. Alleen al om te kunnen beant­woorden aan de vele, tegenstrijdige eisen die de maatschappij tegenwoordig aan ons stelt, zijn verschil­lende rollen, identiteiten, een bittere noodzaak. Dat mensen dankzij luchtvaart en telecommunicatie in korte tijd op totaal verschillende plaatsen aanwezig kunnen zijn is niets meer vergeleken met de mogelijkheden die geavanceerde communicatienetwerken, elektronische media en computergeënsceneerde virtual realities tegenwoordig bieden. Onze concepten van ruimte en tijd, alsmede onze manier van denken en waarnemen hebben zich in recordtijd moeten aanpassen. Hetzelfde geldt voor de sociale structuren als vervanging van oude, steeds minder voorkomende patronen als gezin en familieverbanden. Allemaal signalen die onze intrede markeren in het posthumane tijdperk. Een tijdperk dat zich kenmerkt door steeds weer nieuwe mogelijkheden om te sleutelen aan ons 'zelf'. Hoe zal het mensbeeld eruit zien wanneer niet alleen het gebruik van geestverruimende middelen, plastische chirurgie en genetische manipulatie gemeengoed zijn geworden? We zijn hard op weg om precies die homogene, voorgeprogrammeerde informa­tieverwerkende systemen te worden die passen in het modebeeld dat ons wordt voorge­houden door de media en onze hightech maatschappij. De cyborgs, voor wie persoonlijke ervaring, geschiedenis en etniciteit geen betekenis meer hebben, lijken niet lang meer tot de science fiction te behoren. Zolang deze ontwikkelingen nieuwe wegen ontsluiten, gelegenheid bieden voor het innemen van andere posities en het opdoen van nieuwe ervaringen en het emancipatieproces naar een vollediger menszijn bevorderen, zullen zij door een ieder worden toegejuicht. Het is echter maar zeer de vraag of dit het geval zal zijn, zeker ook gelet op de belangen die hiermee zijn gemoeid.

Kunstenaars zijn tot meer in staat dan het geven van vormsuggesties. Een kunstenaar kan ons bewust maken van het fraaie masker, waarmee de gemediati­seerde hightech werkelijkheid de economi­sche en culturele ongelijkheden verhult. Kunstenaars kunnen ons confronteren met de verveling en leegte van een consumptie­maatschappij die enkel gericht is op maximalisering van productie en winst. Zij kunnen ons tenslotte wijzen op de scheuringen die zijn ontstaan in een samenleving waarin verwoed wordt vastgehouden aan oude mens - en wereldbeelden, terwijl tegelijkertijd culturen gefragmenteerd raken, identiteiten versnipperd en relaties uitgehold. Door bij te dragen aan meer inzicht in de complexiteit van de huidige werkelijkheid kan een nieuwe inhoud worden gegeven aan mens - en wereldbeelden, passend bij deze tijd.

Het nuanceren en kritiseren van het eenvormige mensbeeld, ons opgedrongen door de technologie en de media, vormt dan ook een belangrijk thema voor de meeste kunstenaars binnen de tentoonstelling Ik + de Ander. In plaats van het benadrukken van de gelijksoortigheid van mensen, verleggen zij de aandacht naar het verschil. Niet zozeer om beter te onder­scheiden of te classificeren, maar om aan te geven dat "ik" net zoveel verschil van de "Ander" als andersom. Er bestaat geen model. De kunstenaars nemen bewust persoonlijke, en in die zin verschillen­de, posities in of maken werken, die de toeschouwer uitdagen tot uiteenlo­pende perspectieven om het werk te ervaren en te interpre­teren. Tal van pogingen worden ondernomen om ontmoetin­gen van mens tot mens mogelijk te maken en aldus vormen van menszijn te ontwikkelen die van betekenis kunnen zijn voor onze huidige, heterogene samenleving. Gemeenplaatsen of universele definities zijn uit den boze. Slechts vanuit de persoonlijke ervaring in het hier en nu mag men spreken. Alleen op die manier zijn instru­menten te ontwikkelen die "de Ander" niet langer beschouwen als "anders dan de norm", maar die de "Ander" een rechtmatige, gelijkwaardige positie geven naast andere anderen.


Ine Gevers

Gepubliceerd in Ik + de Ander. Contemporary Art Exhibition on the Human Condition. Eenmalig en tweetalig magazine bij de gelijknamige tentoonstelling in de Beurs van Berlage, Amsterdam, juni-augustus 1994 (vormgeving: Roelof Mulder).

[top]